De man met de hamer
door Paul Watzlawick
Een man wil een schilderij ophangen. Hij heeft wel een spijker, maar geen hamer. De buurman heeft er wel een en daarom besluit de man te vragen of hij de hamer kan lenen. Dan begint hij te twijfelen- ‘wat als de buurman mij de hamer niet wilt lenen? Gisteren groette hij ook al nauwelijks. Misschien had hij haast. Of deed hij alleen maar of hij haast had en heeft hij eigenlijk iets tegen mij? Maar wat dan? Ik heb hem niks gedaan. Hij beeldt zich maar wat in. Wanneer iemand van mij gereedschap wilt lenen, geef ik het hem meteen. En waarom hij dan niet? Hoe kan iemand een medemens zo’n eenvoudig verzoek weigeren? Zulke mensen zijn de pest voor de buurt. En dan verbeeldt hij zich vast ook nog dat ik op hem aangewezen ben. Gewoon omdat hij wel een hamer heeft. Nou ben ik het werkelijk zat’!
En de man stormt zijn deur uit en belt aan bij de buren. De buurman doet open, maar nog voor hij kan groeten, schreeuwt onze man hem toe: ‘Weet je wat jij kan? Jij kan die hamer in je haar smeren, eikel’!